Vier vragen aan programmadirecteur Faissal Boulakjar

a27ed5e6-d7ba-4fe0-9eaf-a0e48ce8578c-min.jpg

1. Wat viel je op in je eerste weken?

“Wat me meteen opviel? Dat er de afgelopen jaren veel werk is verzet. De basis is gelegd en Verbeter Breda begint een begrip te worden.

Ik was bij het begin van Verbeter Breda betrokken en later keek ik er meer van een afstandje naar. Maar nu ik hier zit, vanuit het programmabureau, zie ik opeens hoe veel dingen bij elkaar komen. De Bieb in de Hoge Vucht bijvoorbeeld — dat begon ooit als een idee, en nu loop je er binnen en voelt het alsof de wijk hem zelf draagt. Dat is mooi om te zien.

En wat me ook meteen trof: de drive in de stad. Bij partners, bewoners, organisaties… iedereen staat aan. In mijn eerste week ging m’n telefoon echt alle kanten op. Kennissen, scholen, buurtgroepen — allemaal met dezelfde vraag: ‘Hoe kunnen we bijdragen?’ Dat zegt zóveel over het groeiende solidariteitsgevoel hier in de stad.

Natuurlijk: de opgave is groot. Dit is geen sprint, maar een marathon van lange adem. En dan is het belangrijk dat wij als programmabureau duidelijkheid geven. Niet omdat wij het allemaal al weten — helemaal niet — maar zodat mensen makkelijker kunnen aanhaken. Zodat je als partner of bewoner weet: hier kan ik instappen, hier kan ik verschil maken.

Dat is eigenlijk waar ik nu vooral mee bezig ben: die energie die er al is richting geven zonder te sturen. Samen zoeken naar wat werkt. En eerlijk? Overal waar ik kom, voel ik het: Breda wil vooruit. Samen.”

2. Welk gesprek of ontmoeting is je het meest bijgebleven?

“Het mooiste aan dit werk is dat ik in contact sta met bewoners. Dat geeft me oprecht het meeste geluksgevoel. Tijdens het welkomstfeest bij Bieb Hoge Vucht merkte ik dat meteen. De vrijwilligers, de wijkorganisaties, nieuwe bewoners die even bleven hangen voor een praatje… daar krijg ik energie van.

Maar één gesprek uit mijn eerste week heeft me echt geraakt. Ik zat op kantoor bij ONS Restaurant en er kwam een meneer zomaar binnenlopen. Geen afspraak. We begonnen te praten en voor ik het wist waren we anderhalf uur verder. Hij vertelde over zijn zoon, begin dertig, goede baan, die graag in de Hoge Vucht zou willen wonen om dicht bij zijn vader te kunnen zijn. Maar dat lukt gewoon niet — geen betaalbare woning in de buurt. Dat soort verhalen… die blijven bij me. Je ziet ineens wat er achter de cijfers schuilgaat. Het krijgt een gezicht.

En daarom wil ik graag in gesprek zijn met bewoners. Niet alleen om te horen waar het knelt, maar ook omdat mensen vaak heel goed weten wat ze nodig hebben. Dat neem ik mee. Niet als grote plannen, maar als concrete dingen die we met onze partners kunnen oppakken. Die gesprekken houden me scherp. En ze laten zien waarom deze beweging nodig is.”

3. Waar zie je de kracht van de beweging?

“Voor mij zit de kracht van deze beweging in het feit dat er altijd energie in blijft zitten. Het blijft een beetje zoemen — op een goede manier. Je voelt steeds: we zijn samen met iets bezig dat groter is dan één project.

Binnen het programmabureau herkennen we dat ook. We hebben niet de rol om te zeggen hoe het moet, maar wél om dingen aan te jagen, op tafel te leggen en in beweging te houden. Soms is dat een vraag stellen, soms iemand uitnodigen om nét even verder te kijken. Niet vanuit druk, maar om de ambitie levend te houden. Partners geven ook terug dat ze het prettig vinden dat we dat doen. Dat we meedenken, dat we helpen om de focus te houden. Het is eigenlijk een soort gezamenlijke alertheid: we willen vooruit, en we helpen elkaar om dat vast te houden. En eerlijk: soms voelt het alsof we er ’s ochtends mee opstaan en ’s avonds mee naar bed gaan. Maar voor mij zegt dat vooral dat we betrokken zijn. Dat we dit belangrijk vinden.

De beweging is sterk omdat we dat samen doen: bewoners, partners én wij. Iedereen brengt iets in — en juist dat houdt de beweging gaande.”

4. Wat wordt belangrijk in 2026?

“Dat de beweging veel breder zichtbaar én voelbaar wordt in de stad. In gesprekken op straat, in de klas, bij de sportclub, in buurthuizen — op de plekken waar het echte leven gebeurt. Meer Bredanaars moeten merken: ja, dit gaat óók over mij. Daar hoort bij dat partners nog meer echt met bewoners samenwerken. Niet omdat het erbij hoort, maar omdat het beter werkt. Mensen voelen meteen of je oprecht luistert. En als dat goed zit, gaan bewoners het ook als hún verhaal zien.

Voor mijzelf betekent dat: nog vaker de wijk in. Ik wil in 2026 één keer per maand meehelpen op een school, gewoon als extra paar handen in de klas. Omdat je daar hoort wat kinderen, ouders en leerkrachten bezighoudt. Dat zijn inzichten die je nergens anders krijgt. En we richten ons niet alleen op Hoge Vucht. In andere wijken — zoals Heuvel — zie je ook vonkjes ontstaan. Die wil ik verder helpen groeien, zodat steeds meer Bredanaars voelen dat we dit sámen doen.

Als ik het in één zin moet zeggen, dan is dit het: In 2026 moet Verbeter Breda niet alleen iets zijn dat je kent, maar iets dat je concreet ervaart — in je straat, in je wijk, in het dagelijks leven.”

Meer nieuws
Wil je wat kwijt of nooit meer iets missen?

Heb je een vraag, opmerking of een idee? Laat het ons weten! En abonneer je zeker op onze nieuwsbrief, dan ben je altijd op de hoogte.